PDF Afdrukken E-mail

De eerste directeur van het SOMA, Jean Vanwelkenhuyzen, is overleden

Op 21 februari 2008 overleed in Brussel de man die het SOMA, toen nog Navorsings- en studiecentrum voor de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, in 1969 op de sporen zette en leidde tot 1989. De beschrijving van zijn leven valt in grote mate samen met die van de eerste twintig jaar van het Centrum.

Jean Vanwelkenhuyzen

Jean Vanwelkenhuyzen wordt op 27 maart 1927 in Brussel geboren. Hij behaalt aan de ULB in 1953 het diploma van licentiaat in de politieke en diplomatieke wetenschappen. Hij komt snel in dienst van de administratie van de ULB en behaalt nog het diploma van licentiaat in de handels- en financiële wetenschappen. Vanaf het begin van de jaren 1960 interesseert hij zich voor de Tweede Wereldoorlog. Hij staat dicht bij professor Jacques Willequet en wordt betrokken bij de activiteiten van het Nationaal centrum voor de geschiedenis van beide wereldoorlogen, dat door de Brusselse historicus wordt geleid. Dit kleine centrum ligt aan de basis van het latere SOMA. Het is dus geenszins verwonderlijk dat Jean Vanwelkenhuyzen kandidaat is om het in december 1967 opgerichte Navorsings- en studiecentrum voor de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog te leiden.

 

Hij wordt directeur in november 1968, maar het nieuwe Centrum begint zijn activiteiten pas in juni 1969. Het is de start van een geschiedenis van vooral successen, maar soms ook van mislukkingen in de relatie tussen directeur en instelling. Jean Vanwelkenhuyzen wacht geen gemakkelijke taak. Het is zijn opdracht om een onderzoeks- en documentatiecentrum uit te bouwen rond een thematiek, de Tweede Wereldoorlog, waarvan de perceptie het land diepgaand verdeelt. De repressie van de collaboratie met de bezetter en de koningskwestie worden op een heel uiteenlopende manier geïnterpreteerd door politiek links en politiek rechts en door Vlamingen en Franstaligen. Het is voor de directeur van het Navorsings- en studiecentrum voor de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog niet altijd gemakkelijk om boven deze tegenstellingen te staan.

 

Aan troeven ontbreekt het de directeur nochtans niet. Die blijken heel nuttig te zijn bij het opstarten van het nieuwe Centrum. Zijn sociaal milieu – de Franstalige Brusselse burgerij – en zijn zin voor diplomatie stellen hem in staat uitstekende contacten te leggen met de vaderlandslievende verenigingen en met de leidende kringen van het land in de jaren zestig. Zijn overtuiging dat de nieuwe instelling van groot belang is vertaalt hij in een bijzonder efficiënte verdediging van het Centrum bij de overheden. Het Centrum krijgt de nodige financiële en menselijke middelen, kan zeer rijke archieven verwerven en kan personen interviewen die tijdens de oorlog sleutelposities bekleed hebben. Ook de afwezigheid van daadwerkelijke inmenging van de vertegenwoordigers van de vaderlandslievende verenigingen in de wetenschappelijk commissie in het onderzoeksbeleid van het Centrum kan de directeur op zijn actief schrijven. Hij is vlot en dat vergemakkelijkt de integratie in internationale cenakels, in het bijzonder het Internationaal comité voor de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, waarvan hij tussen 1975 en 1985 secretaris-generaal en van 1985 tot 1987 voorzitter is. In 1988 is hij het enige Franstalige lid van de commissie die is ingesteld om de houding van de Oostenrijkse president Kurt Waldheim tijdens de bezetting te onderzoeken. Deze vele functies dragen ongetwijfeld bij tot de uitstraling van het Navorsingscentrum in het buitenland.

Jean Vanwelkenhuyzenn Jean-Léon Charles en Jan Craeybeckx

Jean Vanwelkenhuyzen (midden) stelt op 13 december 1972 het tweede nummer van de 'Bijdragen tot de geschiedenis van de tweede wereldoorlog', het tijdschrift van het Centrum, voor aan de pers. Naast hem twee leden van de wetenschappelijke commissie: prof. Jean-Leon Charles (links) en prof. Jan Craeybeckx (rechts).

 

Vanuit een andere optiek zien sommigen deze kwaliteiten als tekortkomingen. Jean Vanwelkenhuyzen roept heel snel wantrouwen op in Vlaanderen omwille van zijn afkomst en de moeilijkheden om zich in het Nederlands uit te drukken. Het web van spanningen dat jaar na jaar wordt opgebouwd bereikt een hoogtepunt eind jaren 1980 rond de positie en de opstelling van Jean Vanwelkenhuyzen tegenover de geschiedschrijving over de houding van Leopold III tijdens de oorlog. De militaire en diplomatieke historicus, specialist van de minutieuze analyse van de gebeurtenissen die geleid hebben tot de capitulatie van het Belgisch leger op 28 mei 1940, is een vurig verdediger van de politiek van de Koning. Voor sommigen is het probleem dat hij zijn geprivilegieerde relaties met de royalistische kringen en vooral zijn positie als directeur van het Centrum, gebruikt en misbruikt om zijn ideeën te verspreiden en wie er anders over denkt aan te vallen.

 

Wellicht vanuit de bekommernis om het beeld in stand te houden van een man die voor Jean Vanwelkenhuyzen waarden en een maatschappijmodel vertegenwoordigt die in hoge mate bedreigd worden, begaat hij in elk geval een onhandigheid. Hij koopt, met geld van het Centrum, van een naaste medewerker van Leopold III documenten aan die de Koning  in een slecht daglicht stellen en houdt die documenten vele jaren verborgen. De affaire leidt in 1989 tot het unanieme verzoek van de leden van de wetenschappelijke commissie aan voogdijminister Louis Tobback om Jean Vanwelkenhuyzen te ontheffen uit zijn directeursfunctie. Louis Tobback gaat op de vraag in. Tot zijn pensioen in maart 1992 wordt Jean Vanwelkenhuyzen officieel belast met wetenschappelijke zendingen.

 

Het kan verwondering wekken dat de universitaire wereld een man afwijst die grote diensten bewezen heeft aan de instelling. Jean Vanwelkenhuyzen, wiens werkkracht door verschillende bronnen geroemd wordt, beschikt ongetwijfeld niet over voldoende intellectuele en menselijke souplesse om zich op een efficiënte manier aan te passen aan de snelle evolutie van een Centrum dat na verloop van tijd meer nood heeft aan een uitstekend coördinator en een historicus, die de nieuwe oriëntaties in het onderzoek volgt, dan aan een man van public relations die aan zijn zekerheden vasthoudt.

 

Jean Vanwelkenhuyzen, verlost van wat hijzelf ongetwijfeld zag als de last van het directeurschap, ontwikkelt zich tot aan zijn dood verder als zelfstandig onderzoeker. Hij was in 1978 tot doctor in de politieke en diplomatieke wetenschappen gepromoveerd met het proefschrift Les avertissements qui venaient de Berlin (9 octobre 1939-10 mai 1940)  en schrijft vanaf het einde van de jaren 1980 meerdere werken over de periode tussen het aan de macht komen van Hitler en de nederlaag van mei-juni 1940. Aan de vooravond van zijn overlijden publiceert hij nog het eerste deel van een trilogie, Le gâchis des années 30. 1933-1937. Trouw aan zijn praktijk als historicus levert Jean Vanwelkenhuyzen een tegelijk conventionele en robuuste studie af over de context van de toenemende spanningen in Europa bekeken vanuit Belgisch standpunt. Sommigen, in het bijzonder professionele historici, verwijten hem een klassiek psychologisme dat ertoe neigt de geschiedenis terug te brengen tot louter subjectieve kwesties. Toch moet zijn minutieuze manier van analyseren onderlijnd worden, op basis van betrouwbare bronnen, wat toelaat de historische realiteit vanuit een bijna klinische invalshoek te beschrijven.

 

Het is moeilijk vandaag de betekenis van Jean Vanwelkenhuyzen voor het historisch onderzoek in te schatten. Wel is zeker dat hij veel zal hebben bijgedragen aan de initiële ontwikkeling van een Centrum dat hopelijk nog lang grote diensten zal bewijzen aan de verschillende gemeenschappen van het land.

 

Fabrice Maerten

  Terug