De Belgische magistratuur en het verzet : morele dilemma’s tijdens de Tweede Wereldoorlog

Onlangs verdedigde Jan Julia Zurné, onderzoekster bij het CegeSoma, haar proefschrift aan de UGent met de titel 'Een buitengewoon verontrustend gewetensprobleem' De Belgische magistratuur en door verzetsgroepen gepleegd geweld tegen collaborateurs 1940-1950. Ze onderzocht hoe Belgische magistraten tijdens de Tweede Wereldoorlog reageerden wanneer de bezettingsmacht medewerking eiste aan de strijd tegen het verzet en welke gevolgen dit had voor henzelf en voor de verzetsgroepen.

Ondanks de bekende politiek van het minste kwaad die de rechterlijke macht tijdens de eerste bezettingsjaren voerde, nam het Openbaar Ministerie in deze kwestie een principiële houding aan die uiteindelijk zelfs leidde tot het saboteren van de eigen gerechtelijke onderzoeken. De magistraten waren zich bewust van hun manoeuvreerruimte ten opzichte van de bezettingsmacht en ze maakten daar ook gebruik van.

Hieronder zet Jan Julia Zurné de belangrijkste conclusies uit haar proefschrift uiteen.

 

Je hebt onderzocht hoe het Openbaar Ministerie tijdens de Tweede Wereldoorlog reageerde op door verzetsgroepen gepleegd geweld tegen collaborateurs. Waarom hield de Belgische justitie zich bezig met die aanslagen?

Na de capitulatie in 1940 bleven de Belgische justitie en politie functioneren. Net als veel andere instellingen voerde de rechterlijke macht tijdens de eerste bezettingsjaren een politiek van het minste kwaad. Die was erop gericht de eigen instelling in stand te houden vanuit het idee dat daarmee de 'eigen' medewerkers de belangen van de bevolking konden beschermen. Maar dat betekende natuurlijk ook een zekere samenwerking met de bezettingsmacht. Voor het Openbaar Ministerie betekende dat onder andere het doorgeven van processen-verbaal aan de Duitse autoriteiten.

Moord op A.J. Wekselman in zijn woning. Brussel, 29 juli 1943. (Collectie CegeSoma)
Moord op A.J. Wekselman in zijn woning. Brussel, 29 juli 1943. (Collectie CegeSoma)
Omdat de bezettingsmacht ook eigen politiediensten en krijsgerechten installeerde in België, was er een taakverdeling: de Duitse justitie en politie zouden alle tegen de bezetter gerichte misdrijven opsporen en vervolgen en de Belgische justitie en politie waren bevoegd voor alle 'gewone' misdaden. In de praktijk bleek dit te simplistisch, bijvoorbeeld in het geval van aanslagen op collaborateurs. Dat waren inderdaad inbreuken op de Belgische wet en bovendien misdrijven gepleegd door Belgen én tegen Belgen, maar de bezettingscontext lag natuurlijk aan de basis van dit politiek gemotiveerde geweld. Toch wilden de Duitsers dat de Belgische politie de daders opspoorde, onder andere omdat ze zelf niet genoeg mankracht hadden.

 

Wat dachten de magistraten daar zelf van?

Tijdens de eerste twee bezettingsjaren kwamen aanslagen nog niet veel voor. Het verzet hield zich aanvankelijk vooral bezig met sluikpers, sabotage en het verzamelen van inlichtingen. Vanaf 1942 werd vooral het communistische verzet steeds gewelddadiger tegen Duitsers en collaborateurs. In Brussel was er in maart 1943 gemiddeld één aanslag per dag. Voor de Belgische justitie was dat een probleem, omdat het geweld de openbare orde in gevaar bracht.

De magistraten beseften dat de Duitsers hard optraden tegen verzetsactiviteiten en vreesden in die strijd een instrument te worden van de bezettingsmacht. Daarom vroegen ze de garantie dat verdachten die door de Belgische politie werden opgepakt, ook door een Belgische rechtbank zouden worden bestraft. Maar de Duitsers gaven die garantie niet, omdat ze de mogelijkheid wilden behouden om verzetsmensen zelf te bestraffen. Zo kwam het Openbaar Ministerie voor een dilemma te staan: verzetsmensen uitleveren aan de bezetter of de opsporing en vervolging van aanslagen op collaborateurs opschorten en het politieke geweld onbestraft laten.

 

Welke keuze maakten de magistraten uiteindelijk?

In Brussel kozen de magistraten ervoor de opsporing en vervolging van aanslagen op collaborateurs op te schorten, maar daarvoor moest het wel eerst een paar keer mis gaan. Toen een door de Belgische politie opgepakte verzetsman begin 1943 door de Duitsers werd gefusilleerd, was dat voor veel magistraten een wake-upcall. Uiteindelijk drong het ook tot de Brusselse procureur-generaal door dat dit vermeden moest worden en gaf hij de procureur des Konings opdracht om in geval van aanslagen op collaborateurs de onderzoeken te staken. Zijn ondergeschikten deden dat ondertussen al een tijdje - erg opvallend in een sterk hiërarchisch functionerende instelling als de rechterlijke macht. De gerechtelijke politie en parketmagistraten die op een plaats delict kwamen lieten bijvoorbeeld bewijsmateriaal verdwijnen en stelden valse processen-verbaal op, om ervoor te zorgen dat de Duitsers geen bruikbare informatie over verzetsmensen in handen kregen. De magistraten en politiemensen konden het 'uitleveren' van burgers niet rijmen met hun patriottische opvattingen. Daarnaast waren er ook juridische en pragmatische argumenten om niet mee te werken aan de opsporing van verzetsmensen. Eind 1942 verstrengde de Belgische regering in Londen de wetgeving rondom verklikking, waardoor ook magistraten en ambtenaren potentieel strafbaar waren als ze meewerkten aan de opsporing van verzetsmensen. Bovendien dacht de rechterlijke macht aan haar naoorlogse machtspositie, die natuurlijk niet gebaat was bij verregaande medewerking met de bezetter.

 

Moord op A.J. Wekselman in zijn woning. Brussel, 29 juli 1943. (Collectie CegeSoma)
Moord op A.J. Wekselman in zijn woning. Brussel, 29 juli 1943. (Collectie CegeSoma)
Hoe reageerde de bezettingssmacht hierop?

De Duitsers vonden het natuurlijk wel opvallend dat de gerechtelijke politie, die voor de oorlog prima presteerde, geen enkele zaak kon oplossen als het om aanslagen op collaborateurs ging. Ze zetten wel druk op de magistratuur om de zaken serieuzer te onderzoeken, maar gaven hun poging de Belgische politie en justitie in te zetten in de strijd tegen het verzet uiteindelijk grotendeels op. De collaboratiepartijen riepen steeds harder om een zuivering van de magistratuur, die een sterk Belgicistisch en liberaal of katholiek karakter had. Sommige individuele magistraten kregen wel een beroepsverbod, maar hun opvolgers zetten vaak dezelfde lijn voort. Die polarisering ging zo ver dat er in 1944 zelfs aanslagen werden gepleegd door collaboratiepartijen op magistraten. Ondertussen zetten de bezettingsmacht de strijd tegen het verzet verder zonder de Belgische justitie.

 

 

  Terug