PDF Afdrukken E-mail

‘Gewillig België’. De Belgische overheden en de Jodenvervolging

Een studie uitgevoerd door het CEGESOMA, op vraag van de Belgische Senaat en in opdracht van de federale regering, beoogde de eventuele betrokkenheid van de Belgische overheden in de identificatie, vervolging en deportatie van de Joodse bevolking tijdens de bezetting in de jaren '40-'44 na te gaan. Het resultaat is Gewillig België, een standaardwerk voor elkeen die België wil begrijpen in de periode 1930-1950.

Jules Coelst, burgemeester van Brussel
Jules Coelst, de katholieke burgemeester van Brussel (op deze foto in gesprek met Koning Leopold III in 1939), het symbool van de hardere opstelling van de Brusselse overheden in de 'Joodse kwestie' in 1942.
Wanneer men vandaag aan de Tweede Wereldoorlog denkt, of wanneer de oorlog in de media wordt voorgesteld, wordt vooral aandacht geschonken aan de uitroeiing van de Europese Joden door de Nazi's. Het is een onderwerp dat sterk leeft, en niet enkel onder diegenen die er zich professioneel mee bezighouden. Hoewel andere gebeurtenissen uit die oorlog misschien ten onrechte minder belicht worden is het begrijpelijk dat de Holocaust een dergelijke belangrijke plaats inneemt. Het is een uniek feit, iets dat nog nooit gebeurd was, niet op zulke schaal of op zulke systematische wijze. Het is belangrijk dat zo veel mogelijk mensen onderwezen worden over die verschrikkelijke feiten.

 

Gewillig België legt uit hoe de lokale en nationale overheden al dan niet gehoor gaven aan de wil van de bezetter om de Joden op te sporen en deporteren. Het werk wil zich echter niet enkel concentreren op het joods drama. Wat zo vernieuwend is aan deze studie is dat gepoogd wordt te verklaren waarom die overheden op een bepaalde manier hebben gereageerd. En daarvoor gaat men niet enkel kijken naar de oorlogsjaren zelf, maar begint men reeds in de jaren '30. Vooral de mentaliteit van de elites van het land in die beginjaren wordt ontleed om te komen tot een verklaring van het gedrag tijdens de oorlog zelf. De oorlogsjaren zelf worden dan natuurlijk in detail bekeken.

 

Van de jaren '30 tot de eerste naoorlogse jaren is er een enorme ommekeer in de houding en de mentaliteit van de Belgische overheden. Van antisemitisme, over gedweeë volgzaamheid naar angst voor erkenning van het joodse drama. Joden waren na 1918 een opvallende minderheid in België en de economische crisis van de jaren '30 bracht Joden in scherpe concurrentie met bepaalde Belgische sociale groepen. Het anti-joodse sentiment groeide vooral bij Belgisch-en Vlaamsnationalistische groepen en partijen. Er kwamen door de vervolging vanaf 1933 in Duitsland veel joodse vluchtelingen naar België en deze werden bij de Duitse inval in 1940, als zijnde Duitse staatsburgers, gedeporteerd naar Frankrijk. Ongeveer 1.500 van deze Joden werden in 1942 via Drancy naar Auschwitz afgevoerd. De Belgische overheden konden dit niet voorzien, maar het was wel het gevolg van een verkeerde veiligheidspolitiek. Maar de overheid mag zich niet enkel achter onwetendheid verschuilen, het gaat veeleer om een door de meerderheid van de leidende Belgische kringen gewilde politiek. In die kringen leefde in de tweede helft van de jaren dertig namelijk een vrij uitgesproken xenofobie gemengd met antisemitisme. Toch is het ook van belang te beseffen dat men vooral focuste op 'de Duitser' als vijand, niet zozeer op het nazisme, dit gebrek aan inzicht in de ideologische fundamenten van nazi-Duitsland verklaart ondermeer de houding t.o.v. de Joodse kwestie, die ondergeschikt leek aan de nationalistische invulling van de strijd.

 

Een volgend punt is het feit dat de liberale democratie een enorme deuk had gekregen in de jaren '30. Door de economische crisis werd minder geloof gehecht aan het laissez-faire denken en velen zagen de harde hand waarmee in Duitsland en Italië geregeerd werd als de oplossing. Hierbij komt nog dat verschillende collaborerende partijen een verdoken staatsgreep pleegden tijdens de bezetting door hoge staatsposten te bekleden, in het bijzonder Binnenlandse Zaken. Door deze machtsgreep werd de democratische weerbaarheid van het Belgische bestuur verder uitgehold.

 

Een derde, niet te onderschatten factor is de slechte voorbereiding op een bezetting. De Eerste Wereldoorlog indachtig beseften de overheden dat het belangrijk was veel bestuursmacht in eigen handen te houden. De secretarissen-generaal namen in 1940 belangrijke bevoegdheden van de afwezige ministers over. Het probleem was dat men had nagelaten om duidelijk wettelijk vast te leggen hoe de Belgische overheden in een bezettingssituatie met deze ruime bestuursmacht moesten omgaan. In dit kader ijverden zowel de bezetter als de Belgische overheid en de economisch-financiële kringen voor een snel herstel van het openbare leven. Zo werden de Belgische overheden na mei '40 zo goed als onmiddellijk meegezogen in een escalerende dynamiek van collaboratie waarop ze niet waren voorbereid.

Mannen, vrouwen als kinderen op een open vrachtwagen
Een open vrachtwagen van een Antwerpse verhuisfirma laadt Joodse (?) mensen op, zowel mannen, vrouwen als kinderen. (Foto Auditoraat-Generaal)

 

In het geval van de jodenvervolging moest de Belgische overheid juridisch gezien geen gehoor geven aan de wil van de bezetter. De Conventie van Den Haag stelt (art. 46) dat de bezetter er zich toe verbindt “de eer en de rechten van het gezin, het leven van de personen en de private eigendom, alsook de religieuze overtuigingen en erediensten” te respecteren. Verder diende de jodenvervolging enkel de politiek van de vijand en niet de openbare orde van het bezette land.


Waarom gebruikten Belgische beleidsmakers dit artikel niet en deden ze in eerste instantie wat de bezetter vroeg ? Eerst en vooral waren slechts 5% van alle Joden Belgische staatsburgers. Dus ging het hier om vreemdelingen. Daarbij komt nog dat niemand zich geroepen voelde te wijzen op de morele of wettelijke grenzen van de samenwerkingspolitiek, die al bij al nog vlot verliep. Voeg hierbij het bestaande xenofobische en antisemitische sentiment dat leefde onder de elite van het land en alles wordt een stuk duidelijker.

 

Deze opvattingen wijzigden gedurende de oorlog wel in sommige gevallen. Een goed voorbeeld is de vergelijking tussen het Antwerpse en het Brusselse stadsbestuur vanaf de lente van 1942. De specifieke oorlogscontext speelt hier een belangrijke rol, het was niet meer zeker dat Duitsland de oorlog zou winnen, de krijgskansen begonnen te keren. De Brusselse katholieke burgemeester Jules Coelst weigerde de davidster te verdelen onder de joodse bevolking en hij weigerde te helpen met de opsporing van Joden in het kader van de 'tewerkstelling in het Oosten'. In Groot-Antwerpen daarentegen werkten stadsbestuur en politie wel mee aan de verdeling van de davidster en de collectieve arrestaties van Joden. Dit verschil kan vooral verklaard worden vanuit een politiek-ideologische factor. Het Antwerpse bestuur had zich net als het Brusselse stadsbestuur in 1940 om pragmatische redenen aangesloten bij een maximale samenwerkingspolitiek, maar het einddoel lag elders, voor Antwerpen was het een proactieve poging om zich in te schakelen in de Duitse (Vlaamse) Nieuwe Orde. Brussel bleef Belgisch-patriottisch en sterk Duits-vijandig. Behalve in Brussel en Luik werd overal in België de davidster verdeeld, toen de massale deportatie van de joden vanuit de Mechelse Dossinkazerne begon, werd dat door de Belgische overheden zonder openlijk protest aanvaard. Zij opteerden ervoor de bestuurssamenwerking niet op de helling te zetten voor de wegvoering van de joodse vreemdelingen. De bezetter had immers (valselijk) verzekerd dat Joden met de Belgische nationaliteit niet zouden worden gedeporteerd.

 

Pas in oktober 1942 kwam er verandering bij het centrale bestuur, maar dat had niets te maken met de jodenvervolging. De aanleiding was het invoeren van de verplichte tewerkstelling in Duitsland. Hier speelden ook weer de ruimere overwinningskansen van de geallieerden. Dat de 'Joodse kwestie' geen rol meer speelde in deze ommekeer hoeft niet te verbazen. De Joden waren zo goed als uit het straatbeeld verdwenen: weggevoerd of ondergedoken. Dit betekende echter niet dat de centrale overheden hun beleid tegenover de Joden openlijk bijstuurden, wel protesteerden zij nu officieel.

 

Na de bevrijding groeide er geen erkenning van het belang van de judeocide. De administratieve overheid en het militaire gerecht oordeelden dat de Belgische overheid geen verantwoordelijkheid droeg in de jodenvervolging in België. Er bestond nochtans voldoende kennis aangaande de problematiek en bij sommige overheden werd de judeocide informeel erkend. Maar het grootste probleem was het feit dat er geen beleid ontwikkeld werd, noch op het vlak van de vervolging en bestraffing van de daders, noch op het vlak van de erkenning van de slachtoffers. Er was geen goede wettelijke voorbereiding geweest in Londen en er kwam geen significante poging tot bijsturing na de bevrijding.

 

Waarom kwam er geen bijsturing en werd er geen beleid ontwikkeld aangaande de Joodse kwestie ? De prioriteiten van de Belgische regering lagen elders: de politieke en socio-economische problemen dienden dringend aangepakt te worden. De judeocide was politiek een non-issue, de politieke wil ontbrak om de morele, materiële en juridische problemen van joodse slachtoffers en hun nabestaanden aan te pakken.  België sloot hierbij aan bij de andere Europese landen. Daarbij komt nog dat de Joden een kleine minderheid waren en het merendeel onder hen nog steeds vreemdelingen waren, zij waren dus electoraal van geen tel.

 

Wat was nu de balans van de jodenvervolging in België ? Algemeen wordt aangenomen dat ongeveer 28.900 Joden zijn overleden in gevangenschap, vermoord in België of gedeporteerd uit Mechelen en Drancy. Dit is 36,5 % van het totaal aantal doden in België tijdens de Tweede Wereldoorlog.

 

We kunnen concluderen dat het gebrek aan een administratieve en juridische voorbereiding op de bezetting, maar vooral de xenofobische en antisemitische cultuur bij de leidende kringen en het verval van de democratie in de jaren '30 en de oorlogsjaren als doorslaggevend kunnen worden beschouwd voor de gewillige medewerking van de Belgische overheden zowel op nationaal als lokaal vlak die uiteindelijk leidde tot de rampzalige geschiedenis waarvan we nu de uitslag kennen. Hadden de overheden zich verzet tegen de maatregelen van de bezetter en geweigerd verordeningen uit te voeren, dan zouden waarschijnlijk heel wat Joden die periode overleefd hebben. Bij de vraag van de verantwoordelijkheid is er dus geen plaats voor misverstanden: tijdens de bezetting bleef de mogelijkheid bestaan om bepaalde taken niet uit te voeren of op vragen niet in te gaan.

 

Ruben Baes

 

  Terug