Home » News » 'Goto' is niet meer ...

'Goto' is niet meer ...

José Gotovitch in de Senaat in 2019 ter gelegenheid van de 50ste verjaardag van het CegeSoma/Rijksarchief.

Er zijn mensen van wie we denken dat zij eeuwig jong blijven, zo levendig zijn ze, zo snel van begrip, als het ware bezield door een heilig vuur ....

En toch ontsnappen we niet aan de trieste realiteit. José Gotovitch, 'Goto', verliet ons op 17 februari 2024.

José werd op 12 april 1940 in Brussel geboren en ontkwam met zijn familie aan de deportatie van de Joden. Samen met zijn zusje dook hij onder in de provincie Namen. In 1944 wordt hij herenigd met zijn ouders en hij gaat naar school in Brussel. Door die ervaringen wordt hij gedreven door een jeugdig enthousiasme voor 'het grote licht uit het Oosten’, en hij wacht niet tot hij op de universiteitsbanken zit om onder het pseudoniem Michel Rivière zijn eerste boekbesprekingen in de Drapeau Rouge te publiceren.

Tijdens zijn studie geschiedenis aan de Université Libre de Bruxelles sluit hij zich aan bij de communistische studentenbeweging en hij wordt lid van de partij. Zijn licentiaatsverhandeling over de gecensureerde pers tijdens de Eerste Wereldoorlog was voor die tijd zeer vernieuwend: hij ontdekte de pers als bron, maar ook de censuur en vooral de Duitse archieven. Na zijn universitaire studies, in 1961, was hij medeoprichter en nationaal secretaris van de Union Nationale des Étudiants Communistes (Nationale Unie van Communistische Studenten), waar hij de partijarchieven ordende en persoonlijke dossiers ontdekte met betrekking tot de periode 1940-1945.

Van 1962 tot 1963 gaf hij les aan het Atheneum van Etterbeek en vervulde vervolgens zijn militaire dienstplicht. Daarna kwam hij in contact met hij Jacques Willequet, historisch adviseur van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en trouwens een van zijn vroegere docenten aan de ULB. De twee mannen zaten niet op dezelfde politieke golflengte, maar ze mochten elkaar wel. Dan verschijnt een eerste artikel over 'La Légation d'Allemagne et le mouvement flamand entre 1867 et 1914', dat wordt gepubliceerd in het Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis. Hij wist het nog niet, maar het was slechts het eerste van een zeer lange reeks...

In 1964 trad hij op 24-jarige leeftijd in dienst bij het 'Nationaal Centrum voor de Geschiedenis van de twee Wereldoorlogen'. Samen met twee jonge collega's maakte hij een inventaris van de sluikpers van 1940 tot 1944 en publiceerde hij uittreksels uit rapporten van de SIPO-SD die hij had vertaald. Hij schreef ook een baanbrekend artikel over de geschiedenis van de deportaties. En - zeker niet onbelangrijk - hij besloot een tijdschrift te lanceren, de “Bijdragen tot de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog”, waarvan in 1967 één enkel nummer verscheen.

Maar het was ongetwijfeld zijn boek "L'an 40. La Belgique occupée", dat hij in 1971 samen met Jules Gérard-Libois bij het CRISP uitbracht, dat hem bekend maakte bij het grote publiek en dat zijn reputatie vestigde in kringen van historici. De eerste oplage was in enkele dagen uitverkocht. Met 25.000 verkochte exemplaren is het de onbetwiste bestseller van de Belgische geschiedschrijving. De reputatie van het boek en zijn auteurs verspreidde zich ook buiten België. Hij werd uitgenodigd voor talrijke televisieprogramma’s, hoewel dit toen voor hem niets nieuws was. Hij had namelijk als historisch adviseur meegewerkt aan de RTBF-documentairereeks '1914-1918. Le Journal de la Grande Guerre' en de serie 'Télémémoires'. Hij zal blijven deelnemen aan talrijke televisiedebatten en aan de bekende RTBF-serie 'Jours de Guerre'.

Van 1967 tot 1988 was hij assistent aan de Université Libre de Bruxelles. Van 1973 tot 1977 doceerde hij ook aan het Institut Supérieur des Arts du Spectacle.

Tijdens een persconferentie in 1973

Ondertussen werd het 'Nationaal Centrum voor de Geschiedenis van de twee Wereldoorlogen’ in 1967 omgevormd tot het ‘Navorsings- en Studiecentrum voor de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog’ en werd het team uitgebreid. Hij werkte mee aan de uitbouw van de gloednieuwe instelling. Hij nam een groot aantal interviews af: het Centrum speelde immers een pioniersrol inzake mondelinge geschiedenis. Hij droeg ook bij tot het verzamelen van talrijke archieven die hij inventariseerde en zo kon een uitzonderlijke collectie privéarchieven worden opgebouwd. Officiële archieven bleven immers weinig toegankelijk. Daarom voedde hij zijn onderzoek en publicaties vaak met alternatieve collecties van particulieren. Al in 1985 reisde hij naar Moskou, waar hij meewerkte aan het opsporen van Belgische archieven die door de Duitse bezetter waren gestolen en sinds 1945 in het geheim in de Russische hoofdstad waren opgeslagen.

Geleidelijk aan kreeg het instituut meer vorm en werd de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog uitgebreid. José Gotovitch leverde hieraan een belangrijke bijdrage. In 1988 verdedigde hij zijn doctoraatsthesis over het communistisch verzet en het Onafhankelijkheidsfront, onder leiding van Jean Stengers, die hij opvolgde als docent hedendaagse geschiedenis en vervolgens ook van de cursus “Enjeux et débat” aan de ULB. Zijn thesis werd in 1992 gepubliceerd onder de titel 'Du rouge au tricolore : Les communistes belges de 1939 à 1944. Un aspect de l'histoire de la Résistance en Belgique'.

In zijn kantoor in het Résidence Palace in 1999

In 1989 komt hij aan het hoofd van het Centrum, en op eclectische wijze legt hij talrijke contacten binnen de academische wereld. Hij knoopt tevens banden aan met zijn Franse collega's van het Institut d'Histoire du Temps Présent. Hij nam actief deel aan de reeks symposia die zij organiseerden onder de algemene titel ‘La Résistance et les Français’. Een daarvan, ‘Het verzet en de Noord-Europeanen’, vond trouwens in Brussel plaats. Binnen de instelling stelde zijn talent als onderhandelaar hem in staat verschillende projecten tot een goed einde te brengen, dankzij zijn realiteitszin, gematigdheid en een oprecht respect voor zijn intellectuele partners. Onder zijn leiding kwam het Centrum tot volle bloei. In 1997 werd het tijdskader uitgebreid en werden de structuren aangepast.

In zijn laatste “Woord vooraf” in het SOMA-Berichtenblad '30-50, aan de vooravond van zijn pensionering in 2005, brengt hij in herinnering wat deze periode binnen de instelling voor hem betekende: “Het waren veertig jaar van avontuur, gezamenlijke verwezenlijkingen, (vaak gedeeld) plezier. In die tijdspanne groeide de kleine kern uit 1969 (één directeur, vier onderzoekers, één secretaresse, één bediende) uit tot een kleine KMO met vandaag meer dan 30 personeelsleden. […] De taak bestond erin om een nieuwe wetenschappelijke instelling uit te bouwen. Intussen is het SOMA uitgegroeid tot een verplichte stopplaats en wordt het erkend door al wie belangstelling heeft voor de 20ste-eeuwse geschiedenis van België. Voor een aantal instellingen die nadien ontstonden, was het een voorbeeld, al werd dat vaderschap niet altijd erkend.” En trots voegt hij eraan toe: “Het Centrum was een voorloper op het vlak van mondelinge geschiedenis en de bewaring van privé-archief, bouwde een archief- en documentatiecentrum uit met onder meer een uitmuntende bibliotheek, ontwikkelde een informaticasysteem waarop een aantal Belgische centra met ongeduld wachten om het te kunnen aankopen, leverde een rist kwalitatief hoogstaande proefschriften af, behield in deze tijden van besparingen en economische crisis een tijdschrift dat een eigen leespubliek heeft gevonden, organiseerde tal van studiedagen en seminaries, werkte mee aan talloze colloquia en internationale projecten, gaf de aanzet tot de publicatie van een hele reeks boeken bij diverse uitgeverijen. Het kan er dus prat op gaan een van de belangrijkste initiatiefnemers te zijn geweest en nog te zijn van het onderzoek naar de hedendaagse geschiedenis in België”.

Nieuwjaar 2004 in de Luchtvaartsquare

De uitstraling van José Gotovitch ging tot ver buiten het SOMA. Generaties studenten herinneren zich zijn plezier in het lesgeven, en niet alleen aan de ULB. In 1990 was hij gastprofessor aan Parijs X Nanterre. Hij bekleedde ook de prestigieuze Francqui-leerstoel aan de Facultés universitaires Notre-Dame de la Paix in Namen (1994-1995), en laat ons ook niet al zijn andere inzet vergeten, zoals bestuurder bij het Crisp, wetenschappelijk directeur van het Centre des Archives du Communisme en Belgique, en oprichter van het Centre d’Histoire et de Sociologie des Gauches binnen het Institut de Sociologie van de ULB.

Hij liet ook een immense bibliografie na, van zijn eerste artikel in 1967 over "La Légation d’Allemagne et le mouvement flamand” tot zijn laatste werk, gepubliceerd in 2023 en gewijd aan de Communistische Jeugd en Studenten in België. Daarnaast publiceerde hij een groot aantal werken die de Belgische geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog hebben verrijkt, waaronder over de houding van links tijdens de bezetting, de Belgische regering in Londen, de ondergrondse pers, de Koningskwestie, België en de Spaanse burgeroorlog, of de vele biografieën die hij aan arbeidersactivisten heeft gewijd.

Hij is de auteur van talloze wetenschappelijke artikelen en van publicaties voor een breder publiek, want hij vond het erg belangrijk dat de resultaten van zijn onderzoek werden doorgegeven, zoals blijkt uit zijn talloze optredens in de media en uit de ‘Dictionnaire de la Seconde Guerre mondiale’ die hij in 2008 samen met Paul Aron schreef.

Naast onze dankbaarheid voor het feit dat we het pad hebben kunnen kruisen en delen van een briljant onderzoeker, een uitmuntend spreker, een gerenommeerd schrijver en een voortreffelijke pedagoog, willen we tot slot nog meer dankbaarheid uitspreken voor de man met wie we hebben kunnen samenwerken.

Een feestelijk pensioen in 2005 

Telkens wanneer we zijn naam noemen, zullen we terugdenken aan zijn sprankelende, warme en soms ietwat ondeugende blik. We zullen terugdenken aan een kapitein - onze kapitein - die in alle weer en wind heeft gestreden om zijn schip en al zijn bemanningsleden drijvende te houden om hun opdrachten te kunnen volbrengen.

We zullen ook terugdenken aan een innemende, bescheiden persoonlijkheid, met een geheel eigen karakter, nieuwsgierig naar alles en iedereen, een man die zijn passie wist over te brengen en positieve impulsen gaf aan zijn collega's door hen te waarderen en te vertrouwen, kortom een onschatbaar geschenk voor velen van ons. 

We zullen een man gedenken die, aan de vooravond van zijn grote reis, twijfels had over wat hij had kunnen bereiken en deze met grote nederigheid deelde. Een man die begreep dat er uiteindelijk niets belangrijker is dan de eenvoudige genoegens van het leven te kunnen delen met degenen van wie je houdt. En ook dat wilde hij delen.

Bedankt José, bedankt 'Goto'!