Interview met Blandine Landau, houder van een Conny Kristel Fellowship van het EHRI-ERIC bij het CegeSoma/Rijksarchief

Blandine, U bent in België om gedurende een week onderzoek te doen in het kader van een Conny Kristel Fellowship van het EHRI-ERIC. Kunt u even schetsen welk parcours u hebt afgelegd voor u hier bent aangekomen?
Eerst heb ik aan de ‘Ecole du Louvre’ een eerste cyclus kunstgeschiedenis, museologie en culturele bemiddeling gevolgd en dan een masteropleiding aan de ‘Université Paris IV-Sorbonne’, waarbij ik ook een Erasmusbeurs aan de KULeuven kreeg. Daarna ben ik geslaagd voor een examen voor erfgoedcuratoren en heb ik acht jaar aan het hoofd gestaan van het ‘Musée des Émaux et Faïences de Longwy’. In 2015 heb ik weer contact opgenomen met een hoogleraar aan de Duke University in de Verenigde Staten die ik in 2005 had ontmoet tijdens mijn tweede master over Jheronimus Bosch en die me toen had voorgesteld om onder zijn supervisie een thesis te maken. Ik ben aan die thesis begonnen: over de kunsthandel en meer bepaald over de productie van Bosch. In 2020 werd ik aangeworven door de universiteit van Luxemburg voor een thesis over de onteigeningen van personen die in Luxemburg tijdens de Tweede Wereldoorlog als Jood werden beschouwd. Als je me tien of twintig jaar geleden, toen ik aan de KULeuven studeerde, gezegd zou hebben dat ik erfgoedcurator zou worden en die thesissen zou maken … zou ik dat niet geloofd hebben. Daarna ben ik aan een eerste en nu een tweede postdoctoraat begonnen. Momenteel ben ik postdoctoraal onderzoeker aan de universiteit van Luxemburg, aan het Luxembourg Centre for Contemporary and Digital History (C²DH), waar ik een onderzoeksproject leid over personen uit Luxemburg die als Jood beschouwd werden en die tijdens de Tweede Wereldoorlog in het Belgische verzet actief waren.
Wat is het doel van uw huidig onderzoek?
Mijn huidige postdoctoraat focust op een project van de ‘Fondation luxembourgeoise pour la mémoire de la Shoah’ en de universiteit van Luxemburg voor een digitaal memoriaal van de Shoah in Luxemburg. Het opzet is om biografieën op te stellen van mensen die tijdens de Tweede Wereldoorlog als Jood werden bestempeld op basis van de rassenwetten van de nazi’s, evenwel zonder ze te reduceren tot slachtoffers van de Shoah. We willen ze vooral tonen als individuele mensen, burgers en sociale actoren. Binnen dit kader zijn de biografieën waaraan ik werk, in de eerste plaats bestemd voor dat digitaal memoriaal. Daarna gaan we ze gebruiken voor een tentoonstelling over de rol van de ‘vreemdelingen’ in het verzet gedurende de Tweede Wereldoorlog, vooral dan van de mensen die als Joden werden beschouwd. Die tentoonstelling vindt van september 2027 tot mei 2028 plaats in Esch-sur Alzette, in het ‘Musée National de la Résistance et des Droits Humains’, en wordt in de lente van 2028 gevolgd door een colloquium in Parijs. De Conny Kristel Fellowship van het EHRI-ERIC die ik nu heb, past dus in dit grotere onderzoeksproject.
Het uitgangspunt voor dit onderzoek is een lijst opgesteld door de speciale commissie voor de studie van de roof van ‘Joodse bezittingen’ in Luxemburg (2001-2009). Die werd nadien herwerkt en omvat nu iets meer dan 5000 namen van mensen die als Jood beschouwd werden en die voor 10 mei 1940 in Luxemburg woonden. Uit dit bestand haal ik de personen die zich tijdens de oorlog in België bevonden, en uit die groep probeer ik diegenen te identificeren die op een of ander moment een actieve rol in het verzet hebben gespeeld.
Waarom koos u dit onderwerp?
Tijdens mijn eerste postdoctoraal onderzoeksproject, ‘Living Memory’, heb ik getuigenissen verzameld van overlevenden van de Shoah met een band met Luxemburg. Veel mensen vertelden me over de verzetsdaden van hun vader, hun oom, hun moeder enz. En als ik vroeg of ze voor hun inzet erkend waren geworden, bleek dat meestal niet het geval. Ik vond dit een interessant onderwerp om uit te diepen en dat heeft tot mijn huidig project geleid. De Luxemburgse historici hebben weinig belangstelling gehad voor de rol in het verzet van mensen die als Joden en vreemdelingen werden beschouwd (categorieën die elkaar soms overlappen), vooral wat hun erkenning betreft. Deze mensen kwamen weinig aan bod, zowel bij de toekenning van eretekens, als in de geschiedschrijving of in de herdenkingscultuur (monumenten, herdenkingsplechtigheden).
Hebt u tijdens deze week in België documenten gevonden die u speciaal aangesproken hebben?
Zeker! Hier in de Dienst Archief Oorlogsslachtoffers. Het gaat om het dossier van een Belg die in Luxemburg woonde en die volgens de rassenwetten van de nazi’s een Jood was. In de herfst van 1940 wordt hij in Luxemburg tot dwangarbeid verplicht. Hij gaat met zijn vrouw terug naar België en treedt toe tot het verzet. Hij zet vluchtroutes naar Frankrijk op voor werkweigeraars en Joden, maar wordt opgepakt. Eerst wordt hij in Gurs opgesloten, dan in Pithiviers, waar het Belgische Rode Kruis langskomt en rapporteert een Belg aangetroffen te hebben : “Meneer ‘M’ zou erg blij zijn als we hem uit dit kamp kunnen krijgen”. Wat een eufemisme !
Van Pithiviers wordt hij naar Drancy overgebracht en vandaar naar Auschwitz gedeporteerd. Hij komt in verschillende kampen terecht en uiteindelijk sterft hij. Het laatste levensteken van die man buiten het concentratiekampsysteem, is dus dit zinnetje “dat hij erg blij zou zijn als we hem konden helpen” … en dan zijn handtekening als hij in het kamp van Auschwitz geregistreerd wordt.
Kunt u toelichten wat een Conny Kristel Fellowship is, hoe men zich hiervoor kandidaat stelt, hoe de kandidaten geselecteerd worden en hoe dat alles concreet in zijn werk gaat?
Een Fellowship is een onderzoeksbeurs van een organisatie, een stichting of een structuur met als doel de geselecteerde kandidaten voor een bepaalde duur of een bepaald project te ondersteunen. In mijn geval gaat het om een Fellowship van het EHRI-ERIC dat onderzoeksbeurzen aanbiedt en meer bepaald om de ‘Conny Kristel Fellowship’ onderzoeksbeurs.
Een keer per jaar wordt er online een oproep tot het indienen van sollicitaties gedaan (https://www.ehri-project.eu/conny-kristel-fellowships). Iedereen kan zich kandidaat stellen. Dan dien je een onderzoeksproject in in verband met de Shoah, waarvoor je steunt vraagt. Een aantal projecten worden geselecteerd. De duur van een Fellowship varieert van één tot zes weken in gastinstellingen. Zo zijn er verschillende in België (het Rijksarchief/CegeSoma, Kazerne Dossin), maar ook in Frankrijk, Nederland, Israël enz. Zo kunnen onderzoekers archieven gaan bestuderen. De beurs dekt de reis- en verblijfskosten, de maaltijden, kopieën, scans enz. De verantwoordelijke binnen de gastinstelling speelt een belangrijke rol: hij faciliteert het verblijf (door de administratieve procedure uit te leggen om bepaalde dossiers te raadplegen, door – indien nodig – afwijkingen aan te vragen, een plaats te reserveren in de archiefcentra enz.). Dat is zeer nuttig, want hierdoor kan je ter plaatse efficiënt werken. De planning is erg strak, zeer precies.
Het onderzoekswerk is een solitaire bezigheid, maar je kan het alleen maar uitvoeren dank zij de hulp van mensen om je heen. Mensen zoals Dirk Luyten in het CegeSoma, of anderen in ARA1 en ARA2 of CARCOB bij voorbeeld, met wie ik contact opgenomen heb en die alles voor mijn komst hebben voorbereid. Ik mag ook de persoon niet vergeten die vooraf de lijsten heeft opgemaakt van de personen die ik moet onderzoeken. Je kan dit werk alleen doen voor en met anderen.
Dank u wel, Blandine, en veel succes met uw onderzoek!