Gesprek met Alana Castro de Azevedo, onderzoeker van het project CONCILIARE

In maart 2024 ging het Europese project CONCILIARE (Confidently Changing Colonial Heritage) van start over de erfenis van het koloniaal verleden. Om dit tot een goed einde te brengen hebben zes landen (België, Nederland, Portugal, Italië, Finland en Kroatië) hun krachten gebundeld. Bij het onderzoek werden specialisten uit diverse disciplines betrokken: sociaal psychologen, antropologen, sociologen, politicologen, historici, en ook verenigingen als ICOM Belgique-Wallonie/Bruxelles en Afropean Project.
Binnen dit project heeft Chantal Kesteloot (CegeSoma/Rijksarchief) WP2 gecoördineerd over het thema kwestie publieke ruimte in België, Italië en Portugal en heeft Alana Castro de Azevedo onderzoek verricht naar de identificering van het koloniaal patrimonium in Brussel, Antwerpen en Bergen. Na deze eerste identificatiefase werden de verschillende vormen van contestatie met betrekking tot enkele gevallen diepgaand bestudeerd.
Nu het mandaat van Alana afloopt, wilden we haar toch een paar vragen stellen.
Je hebt bij je vroegere onderzoeken al gewerkt rond de controverses in verband met de publiek ruimte. Hoe heeft het onderzoek in het kader van Conciliare je visie op die controverses veranderd ?
In mijn vorig onderzoekswerk lag mijn focus op protesten tegen de bouw van nieuwe herdenkingsmonumenten in de publieke ruimte. Doordat die protesten tijdens mijn onderzoek nog aan de gang waren, bestond mijn werk er voornamelijk in de voor- en tegenstanders van die herinneringsprojecten te interviewen. Het onderzoek voor Conciliare verschilde hier duidelijk van, want veel van de geïdentificeerde monumenten, toponiemen en gebouwen zijn meer dan een eeuw oud. Dus moest ik archivalisch onderzoek doen om de context te begrijpen waarin ze tot stand kwamen. In het begin een hele uitdaging voor iemand die als antropoloog is opgeleid en die niet vertrouwd is met de Belgische context. Wat mijn blik helemaal veranderde, is het besef hoe rijk de archieven wel zijn. Ze toonden aan dat sommige van die monumenten en straatnamen al vanaf het begin omstreden waren (wel niet om dezelfde redenen als nu) en dat de publieke ruimte door de tijd heen constant verandert: straten krijgen een andere naam, gebouwen worden afgebroken of krijgen een andere bestemming, monumenten worden verplaatst of aangepast, en de betekenis die eraan kleeft verandert. Door mijn werk met dit materiaal veranderde de manier waarop ik onderzoek verricht. Ik zag hoe belangrijk het is het ruime publiek er bewust van te maken dat de functie en betekenis van koloniale monumenten en toponiemen nooit definitief vastliggen. Dit historisch perspectief inbrengen in het actuele debat over de koloniale erfenis, is – denk ik – van belang, want het bewijst dat disputen over het collectieve geheugen en eisen tot verandering van alle tijden zijn.
In het raam van het Conciliare-project werd in drie verschillende landen (België, Italië en Portugal) onderzoek verricht naar de publiek ruimte. Welke verschillen en gelijkenissen heb je vastgesteld ?
Elk van die drie landen heeft een verschillend koloniaal verleden en ze ontwikkelen alle drie een verschillend narratief over dat verleden om een geïdealiseerd beeld van de natie op te hangen. Zo wordt in Portugal en Italië de koloniale geschiedenis voorgesteld als ‘zachter’ dan die van andere koloniale mogendheden. Hoewel de wreedheden in Congo-Vrijstaat onder het bestuur van Leopold II ruim gedocumenteerd zijn, is er in België nog veel weerstand om het geweld van het koloniale regime volledig te erkennen. Het moment waarop koloniale referenties betwist beginnen te raken verschilt ook van land tot land. In België begint de contestatie in de vroege jaren 2000, in Italië pas in de late jaren 2010. Het protest is in Portugal meer zichtbaar dan in Italië, maar toch is het positief narratief over ‘Het Tijdperk van de Ontdekkingsreizen’ nog diep in de Portugese samenleving geworteld. De vrij recente inhuldiging van het standbeeld van Padre António Vieira in Lissabon in 2017 en het voorstel uit 2020 voor een ‘Museum van de Ontdekkingsreizen’ illustreren die spanning overduidelijk. Wat de gelijkenissen betreft: het protest tegen referenties naar het koloniale verleden in de publiek ruimte wordt in de drie landen aangedreven vanuit het middenveld. De strategieën om de koloniale symbolen aan te pakken zijn ook gelijklopend. De activisten organiseren betogingen, lanceren petities, treden fysiek op tegen betwiste sporen of zetten (tijdelijke) artistieke manifestaties op. In de drie landen worden ook dezelfde argumenten aangevoerd om deze symbolen te verdedigen, waarbij critici de protesten vaak afdoen als een aanval op het nationaal erfgoed en de nationale identiteit of als een poging om de geschiedenis uit te wissen.
Waarom vind je zo’n project belangrijk ?
CONCILIARE is belangrijk omdat het aantoont dat het Europese kolonialisme niet zo maar iets uit het verleden is, maar dat het vandaag onze samenlevingen nog op vele verschillende manieren beïnvloedt en vormgeeft. Het project onderstreept hoe de koloniale erfenis in veel aspecten van ons dagelijks leven zit ingebed – in schoolboeken, tentoonstellingen in musea, publieke herdenkingen, culturele gebruiken en zelfs in onze eetgewoontes. Een ander, naar mijn mening erg interessant, aspect van het project is de interdisciplinaire aanpak. CONCILIARE brengt verschillende invalshoeken samen, van geschiedenis over sociale psychologie, antropologie en sociologie tot culturele geografie en maakt het zo mogelijk het onderwerp veel ruimer te begrijpen. Al die invalshoeken vullen elkaar aan en tonen dat geen enkele discipline op zichzelf de complexiteit van het koloniale verleden nu volledig kan doorgronden.
Je bent Braziliaanse en woont in Nederland. Door dit werk heb je België leren kennen. Wat heb je in die achttien maanden over de Belgische samenleving geleerd ? Wat heeft je het meest verrast ?
Ik was echt blij om in België aan de slag te gaan, omdat discussies over het koloniale verleden in de publieke ruimte en het collectieve erfgoed hier veel meer op de voorgrond treden dan in Nederland waar ik momenteel woon. Van buitenaf bekeken leek het alsof België concrete stappen ondernam om zijn koloniale erfenis onder ogen te zien en ermee om te gaan, en alsof het in zekere zin als voorbeeld kon dienen voor andere Europese landen. Het klinkt nu een beetje naïef (en dat was het ook zeker), maar ik koesterde hoge verwachtingen, vooral door al de parlementaire commissies, werkgroepen, rapporten en actieplannen over dit thema in het recente verleden. Maar toen ik hier aankwam, begreep ik dat het koloniale verleden nog een erg gevoelig onderwerp is, dat er nog veel sociale weerstand heerst tegen vragen over dat verleden en dat het uitrollen van een concreet beleid een veel langer en meer gecontesteerd proces is dan wat je van buitenaf gezien zou kunnen vermoeden.
Dank je wel, Alana, voor deze twee jaren van vruchtbare samenwerking ! En nog veel succes !