Spionnen en spionage in de bibliotheek van het CegeSoma (1) : van de Eerste tot de Tweede Wereldoorlog.

"Spionnen en spionage in de bibliotheek van het CegeSoma (1) : van de Eerste tot de Tweede Wereldoorlog". Onder deze vlag nodigen wij u uit om kennis te maken met het vijftiende onderwerp van onze reeks ‘afspraak met de bibliothecaris’. Bij elk onderwerp nemen we u mee in onze collecties. Aan elk onderwerp wordt ook een video gewijd en een tekst die de informatie uit de video vervolledigt.

Bekijk de vijftiende video ‘Afspraak met de bibliothecaris: 15. Spionnen en spionage in de bibliotheek van het CegeSoma (1) : 1914-1945.'

 

Spionage bestaat ongetwijfeld al sinds de nacht der tijden. Of veeleer sinds de mensengemeenschappen zich min of meer gingen organiseren (van stammen tot keizerrijken via de stadstaten) en zich bewust werden van hun onderlinge verdeeldheid en de antagonistische krachten die hen bedreigden. Ze gingen de noodzaak voelen zich te wapenen tegen de gevaren voor hun voortbestaan, door discreet informatie te vergaren bij de Andere, de potentiële of reële vijand. Per slot van rekening komt spionage voort uit de wens zich te informeren, inlichtingen te verkrijgen (spreken we vandaag niet eerder schroomvallig over inlichtingsdiensten in plaats van over spionagediensten?). De acties die uit dit verlangen voortspruiten, vinden we in het Westen net zo goed terug in het Oude Testament als in de Ilias van Homeros. Het Verre Oosten moet hier niet voor onderdoen: verscheidene passages in het Chinese werk De kunst van het oorlog voeren bespreken dit onderwerp zonder complexen. Tijdens de christelijke middeleeuwen verandert dat – althans in theorie. Op haar hoogtepunt is de feodale samenleving doordrongen van verheven ridderidealen. In die optiek wordt het beroep van spion veracht; het wordt gelijk gesteld met een vorm van deloyale strijd of zelfs met verraad. Je kunt wel raden dat dit niet belet dat men er zo nodig gretig zijn toevlucht toe neemt, maar niemand gaat er prat op. Dat duurt zo ongeveer tot de secularisering van de staten, van de XVIIde tot de XIXde eeuw. Deze eerder negatieve houding tegenover het eerbare gezelschap van spionnen en andere inlichtingsagenten begint pas in de XIXde eeuw te veranderen met conflicten waarbij de burgerbevolking massaal betrokken wordt (de Franse revolutie, de Amerikaanse secessieoorlog, de Frans-Pruisische oorlog van 1870-1871). De spion verandert zeker niet van de ene dag op de andere in een held, maar de meningen gaan aan het schuiven en spionage wordt nu gezien als een onmisbaar instrument, zoals andere, tot bescherming van de natie. Een beschermmiddel in essentie voorbestemd tot discretie en anonimiteit en dat daarenboven een 'aura' van avontuur verwerft, dat erg aantrekkelijk is in de steeds meer genormeerde samenleving.

 

Het koloniale avontuur versterkt de rol van spionage nog op wereldvlak (maar in 'gestippelde' vorm): elke grote natie zet in alle hoeken van de wereld militaire attachés in, maar ook etnografen, missionarissen, aardrijkskundigen, die de rol van al of niet discrete waarnemer kunnen spelen, in het kader van een allesomvattende rivaliteit tussen concurrerende imperialistische regimes.

Dan breekt de Eerste Wereldoorlog uit, een nieuw massaal conflict dat nu gepaard gaat met een industriële oorlog waarbij alle energie van de betrokken naties gemobiliseerd wordt. En ook alle spionagemiddelen, wat tot een definitieve herwaardering van de spionage leidt, … en tot het ontstaan van heel wat fantasmes over de praktijk van het beroep van spion. Terwijl de agenten van de Intelligence Service of van het Deuxième Bureau soms erg bescheiden opdrachten uitvoeren (de Duitse militaire konvooien richting front vanuit een bepaald spoorwegstation tellen …), treden er enkele tot held gebombardeerde figuren op de voorgrond, soms postuum, waarvan de vermeende daden soms erg ver van de realiteit staan. Voor één Lawrence of Arabia vind je heel wat Margaretha Geertruida Zelles! En die slaagt er pas in voor het nageslacht de spionne Mata Hari te worden … na haar executie en dank zij een goed georkestreerde mediacampagne. Niet al haar collega's hadden dat 'geluk'. Niettemin worden verschillende onder hen op een voetstuk geheven, wat een generatie voordien nog ondenkbaar zou zijn geweest. En al zijn hun activiteiten niet altijd vermaard, hebben ze toch hun op het randje oneerbare karakter verloren. Het verzet heeft spioneren in zekere zin gerehabiliteerd … als het maar gebeurde door eigen landgenoten (zo mogelijk) gedreven door de nobelste gevoelens van burgerschap.
Laurence van Ypersele en Emmanuel Debruyne hebben dit proces grondig onderzocht in hun studie De la guerre de l’ombre aux ombres de la guerre (2005). Maar ondanks dat alles bleef er rond spionage nog altijd een zweem van ambiguïteit hangen, een vreemd, wat verontrustend aura.

De Tweede Wereldoorlog sluit inzake spionage heel natuurlijk aan bij de geheime Grote Oorlog, nu met een ideologische insteek. De Britse Military Intelligence kreeg de kans om op alle vlakken uit te blinken in zijn strijd tegen de Duitse diensten, met de hulp - soms van ver - van zijn Amerikaanse en Sovjet tegenhangers. Vele oudgedienden (zoals Walthère Dewé) aarzelden niet om de draad twintig jaar later weer op te nemen tegen het nazistische Reich. Ze hielpen ditmaal bij de uitbouw van een hele reeks pro-geallieerde inlichtings- en actienetwerken en gingen de strijd aan met de Duitse … of Belgische spionnen.
De beruchte Prosper De Zitter is van die laatsten met zijn gevreesde efficiëntie een vrij goed voorbeeld.

Na het einde van de oorlog kon de doorsnee Westerse spion zich tevreden voelen, voor zover hij natuurlijk niet voor de Asmogendheden gewerkt had. Zijn moreel aanzien was nu voor lange tijd geconsolideerd; hij werd beschouwd als een onverschrokken held en dat imago bracht een stroom boeken op gang. Bovendien brak de Koude Oorlog aan: de hoogste instanties zouden zijn diensten nog nodig hebben!

In die omstandigheden hoeft het niet te verbazen dat de spionage een meer dan behoorlijke plaats inneemt in de bibliotheek van het CegeSoma: enkele honderden titels in onze collecties zijn voor de beide wereldoorlogen aan dit thema gewijd. We sommen hier een aantal essentiële werken op voor wat België betreft: het altijd nuttige Geheime oorlog 40/45. De Inlichtings-en Actiediensten in België (1992) van Fernand Srubbe (in 2000 vertaald met als titel Services secrets belges 1940-1945) en het onmisbare Gedenkboek Inlichtings-en Actie Agenten dat in 2015 verscheen onder auspiciën van  Roger Coekelbergs uit 'ons huis'. We vernoemen nog de uitstekende bijdrage van Emmanuel Debruyne: ‘La guerre secrète des espions belges, 1940-1944’, het resultaat van zijn doctoraat (2008).

En dan moeten we nog spreken over de periode van de Koude Oorlog, die een rijke oogst aan boeken opleverde. Maar dat is weer een ander verhaal, waarop we weldra nader zullen ingaan.